Italië laat zich niet vangen in één beeld. In Rome loop je van het Forum Romanum naar woonstraten met espressozaken en groentekramen. Florence bewaart renaissanceschilderijen in palazzi en kapellen die rijke families ooit lieten bouwen. Buiten de steden staan olijfbomen en wijngaarden tussen stenen dorpen op de heuvels. Kunst van wereldformaat en het gewone leven liggen hier vaak naast elkaar.
Rond Siena lopen wegen langs cipressen, akkers en ommuurde plaatsen als Pienza en Montepulciano. Boeren telen er druiven, olijven en graan. In lokale trattoria’s komen die producten terug in eenvoudige gerechten. In Emilia-Romagna rollen pastabakkers tortellini en tagliatelle, terwijl makers rond Parma ham en kaas lang laten rijpen. Iedere streek heeft zijn eigen voorraadkast en eigen tafel.
Op Sicilië staan Griekse tempels bij Agrigento. In Palermo tonen Arabisch-Normandische kerken een ander verleden, terwijl op de markt arancini, citrusfruit en zwaardvis naast elkaar liggen. Ook in Venetië, Napels en de kleine steden ertussen verschillen dialecten, gevels en gerechten merkbaar. Een maaltijd in Venetië smaakt anders dan een diner in Napels, ook al begint het gesprek aan tafel vaak op dezelfde manier. Blijf dus niet alleen bij de grote monumenten hangen. Ga een markt op, schuif aan voor de lunch en loop een klein stadje binnen; daar krijgt Italië zijn meest menselijke gezicht.
