Zeven Europese treinroutes waarvoor de trein het reisdoel is

Zeven Europese treinroutes waarvoor de trein het reisdoel is

Op deze zeven spoorlijnen vullen rivieren, bergpassen, tunnels en viaducten de uren tussen vertrek en aankomst. De rangorde volgt de hele rit: wat het spoor doorsnijdt, hoe bouwers het terrein te lijf gingen en wat er aan het eind van de lijn wacht.

Een beroemd viaduct is mooi meegenomen, maar het draagt geen hele reis. Daarom telt hier de volledige lijn: de afwisseling buiten het raam, het spoorwerk dat het terrein leesbaar maakt en de dagelijkse functie van de trein.

Praktisch: tijd, seizoen en treintype. Alle zeven lijnen rijden als regulier openbaar vervoer; geen gewone rit vereist een luxeproduct. Locarno–Domodossola duurt ongeveer twee uur; half oktober tot begin november geeft kleur op de boshellingen. De Centovalli Express gebruikt hetzelfde spoor als de regionale trein. Gloggnitz–Mürzzuschlag vraagt ruim een uur. Neem in de winter een trein via Semmering, niet de snellere omleiding. Porto–Pocinho duurt circa drieënhalf uur; september en oktober vallen samen met de druivenoogst. Dombås–Åndalsnes duurt circa 80 minuten en past goed in mei of begin juni. De Golden Train is een afzonderlijke toeristische rit. Glasgow–Mallaig duurt gemiddeld 5 uur en 18 minuten; eind mei tot half juni biedt lang daglicht. De Jacobite is een seizoensgebonden stoomtrein op dezelfde lijn. Oslo–Bergen duurt 6,5 tot 7,5 uur; eind april en mei combineren sneeuw op de hoogvlakte met groene dalen. ChurTirano duurt met de rechtstreekse Bernina Express ongeveer vierenhalf uur. Gewone Rhätische Bahn-treinen vragen meestal een overstap in St. Moritz; alleen de Bernina Express heeft een verplichte plaatsreservering. Mei en juni laten groene dalen en sneeuw rond de pas naast elkaar zien.

7. Locarno–Domodossola: kloven en kleine stations

De smalsporige Centovalli-spoorlijn verbindt Locarno met Domodossola door de Centovalli en de Italiaanse Valle Vigezzo. Op 52 kilometer liggen 31 tunnels en 83 bruggen. Bij Intragna kruist de trein de stalen Isorno-brug; bij Camedo volgt de Ruinacci-brug.

Na de diepe kloven van de Centovalli wordt de Valle Vigezzo ruimer. De lijn opende in 1923, toen beide dalen nog geen doorgaande weg hadden. De regionale trein stopt nog altijd bij kleine haltes aan weerszijden van de grens. Die alledaagse taak maakt de rit interessant, al mist hij de grote hoogteverschillen en zware kunstwerken van de lijnen erboven.

Een Centovalli-trein kruist de stalen Isorno-brug bij Intragna in de Zwitserse Centovalli.Een Centovalli-trein kruist de stalen Isorno-brug bij Intragna in de Zwitserse Centovalli.

6. Gloggnitz–Mürzzuschlag: steenwerk op de Semmering

De Semmeringspoorlijn vormt het historische bergdeel van de verbinding Wenen–Graz. Vanaf Gloggnitz klimt het spoor door de Schwarza- en Auerbachvallei. Bij Payerbach, Breitenstein en Klamm-Schottwien houden bochten, tunnels en gemetselde viaducten de stijging gelijkmatig.

Bouwers legden de lijn tussen 1848 en 1854 aan. Het dubbeldeks gebogen Kalte-Rinne-viaduct draagt de rails over het dal, waarna de Semmeringtunnel en de afdaling naar Mürzzuschlag volgen. Deze zesde plaats draait minder om wildernis dan om vakwerk. De steenbogen tonen nog steeds hoe een negentiende-eeuwse hoofdroute een Alpenpas nam.

5. Porto–Pocinho: langs de bochten van de Douro

Van Porto volgt de trein de Douro steeds nadrukkelijker. Voorbij Pala verschijnen wijngaardterrassen en quinta's. Na Régua en Pinhão worden de dalwanden rotsiger en ligt het spoor vaak vlak bij het water; tussen Ferradosa en Pocinho wisselt de lijn van oever.

Het station van Pinhão draagt azulejo-panelen met wijnbouwarbeid en landschappen uit de streek. De spoorweg bereikte Régua in 1879 en vervoerde naast reizigers vooral wijn. Hij liep later door naar Salamanca, maar Portugese treinen eindigen sinds de sluiting van Pocinho–Barca d'Alva in 1988 in Pocinho. Rivier, terrassen en spoor blijven hier urenlang naast elkaar lopen. Dat geeft deze vijfde plaats een rustige samenhang, zonder toeristische verkleedpartij.

4. Dombås–Åndalsnes: afdalen door het Romsdal

Vanaf Dombås daalt de Rauma Line van het hooggebergte naar de Romsdalen-vallei. De Rauma loopt naast het spoor, terwijl steile bergwanden, watervallen, Trollveggen en Romsdalshorn de vallei begrenzen.

Bij Verma tonen de Stavem-keertunnel en de handgebouwde stenen Kyllingbrug hoe bouwers in korte afstand drie hoogteniveaus overwonnen. De lijn werd vanaf 1912 aangelegd en verbindt de regio al meer dan een eeuw met Oost-Noorwegen en Trøndelag. De korte rit houdt haar buiten de top drie. Daar staat een scherpe, goed leesbare afdaling tegenover, met Åndalsnes direct aan de Romsdalsfjord.

3. Glasgow–Mallaig: van stadsspoor naar zeekust

Na Glasgow loopt de West Highland Line langs Loch Lomond de Hooglanden in. Voorbij Crianlarich ligt het spoor op het veen van Rannoch Moor. Daarna volgen het hooggelegen Corrour, Fort William en de lochs Eilt, Ailort en Nan Uamh.

Het gebogen Glenfinnan-viaduct telt 21 bogen en kwam in 1901 gereed in massabeton. De verlenging naar Mallaig gaf het toenmalige vissersdorp een spoorverbinding waarmee verse vangst naar Glasgow kon. Na Glenfinnan volgen de zandkust bij Morar en de haven van Mallaig, met zicht richting Skye. De lijn krijgt de derde plaats door die volledige verschuiving, van stadsrand naar hoogveen en vervolgens naar de Atlantische kust. Glenfinnan speelt een hoofdrol, maar hoeft de rest niet weg te drukken.

2. Oslo–Bergen: over de Hardangervidda

De Bergensbanen begint tussen landbouwgrond en rivieren, volgt Hallingdal omhoog en bereikt de open Hardangervidda. Na Myrdal daalt de trein door Raundalen naar Voss; diepe dalen, bergen en fjorden bepalen daarna de aanloop naar Bergen.

De lijn opende in 1909, bereikt 1.237 meter hoogte en telt 182 tunnels. De Finsetunnel verving later een bijzonder weergevoelige passage op de hoogvlakte. Daardoor blijft de aanleg zichtbaar, ook wanneer sneeuw de grond rond het spoor bedekt. De Flåmsbana vertrekt vanaf Myrdal, maar is een afzonderlijke zijlijn en hoort niet bij de rit Oslo–Bergen. De lange overgang van binnenland naar westkust draagt deze tweede plaats.

1. Chur–Tirano: over de Alpen naar Italië

Van Chur rijdt de Rhätische Bahn via de Albulalijn naar St. Moritz en vervolgens over de Berninalijn naar Tirano. Beide lijnen kwamen aan het begin van de twintigste eeuw tot stand om berggemeenschappen te verbinden. Tunnels, galerijen, bruggen en viaducten dragen er nog altijd regionale treinen.

Een regionale trein buigt over het ronde viaduct van Brusio, kort voor Tirano.Een regionale trein buigt over het ronde viaduct van Brusio, kort voor Tirano.

Boven St. Moritz klimt het spoor langs Lago Bianco en het Berninalandschap. Daarna daalt de trein langs de Palügletsjer naar Poschiavo. De Bernina Express rijdt op dezelfde infrastructuur en voegt panoramaruiten, service en een verplichte reservering toe. Alleen Pullman Class, tussen St. Moritz en Tirano, is een kleinschalig luxeproduct.

Deze eerste plaats rust op de opeenvolging van Zwitserse hoogvlakte, pas, gletsjer en de zachtere Valtellina. Kort voor Tirano buigt de trein over het ronde viaduct van Brusio, verliest zichtbaar hoogte en rijdt verder tussen de lagere dalhellingen.