Spanje laat zich niet vangen in één beeld. Aan de Golf van Biskaje liggen groene heuvels boven rotsige baaien, terwijl rond Cádiz brede stranden, kurkeiken en witte dorpen het landschap bepalen. Landinwaarts volgen droge vlaktes en granieten bergketens. Ook aan tafel verschillen de streken. In Galicië komen schelpdieren en octopus uit de haven; in Andalusië staan sherry, jamón en gefrituurde vis op de bar. Naast Spaans klinken er Catalaans, Galicisch, Baskisch en andere regionale talen.
In Córdoba staan de rood-witte bogen van de Mezquita naast een oude kathedraal. In Granada bedekken patronen van stucwerk de zalen van het Alhambra. In de dorpen eromheen lopen steile straten tussen witgekalkte huizen. Op terrassen schenken barkeepers kleine glazen sherry en zetten koks borden met olijven op tafel.
Aan de noordkust varen vissersboten Galicische havens binnen met kratten vis en schelpdieren. In Bilbao en San Sebastián leggen koks pintxos op de bar: ansjovis met ingelegde peper, tortilla of een stukje kabeljauw. Verder westwaarts komen wandelaars over oude paden aan in Santiago de Compostela. Madrid vormt een ander decor. In het Prado hangen Velázquez en Goya, en later op de avond lopen terrassen vol voor koffie, tapas en een late maaltijd. Strijk neer in een buurtbar, loop een markt over of neem plaats op een plein. Daar begint Spanje vaak met iets kleins: een gesprek, een bord eten of een extra ronde aan tafel.
