Nederland laat zich goed bekijken vanaf een kade, een dijk of een fietspad. In Amsterdam staan smalle grachtenhuizen schouder aan schouder langs het water. Een paar uur verderop ligt de horizon open boven sloten, weilanden en boerderijen. Dat verschil komt voort uit eeuwen werk aan het water. Bewoners legden dijken aan, maalden meren droog en bouwden gemalen en stormvloedkeringen om land en steden droog te houden. Oude stadsmuren, nieuwbouwwijken en akkers liggen daardoor vaak dicht bij elkaar.
Amsterdam draagt nog sporen van de handel over zee: pakhuizen en grachtenpanden staan langs kades waar schepen hun lading losten. Rotterdam kreeg na het bombardement van 1940 brede straten, hoge kantoortorens en een nieuwe binnenstad. In Utrecht liggen werfkelders onder de straten langs de Oudegracht. Leiden heeft hofjes achter winkelstraten en universiteitsgebouwen tussen de oude huizen. In Den Haag en Amsterdam staan Indonesische restaurants, Surinaamse broodjeszaken en toko’s naast cafés en viskramen. Ze vertellen iets over migratie en het koloniale verleden zonder dat de steden hun eigen karakter verliezen.
Buiten de stad verandert het beeld snel. In Zeeland verbinden dammen en stormvloedkeringen voormalige eilanden. Op de Waddeneilanden staan dorpen beschut achter de duinen, met kwelders en zandplaten aan de kust. Op de Veluwe lopen dennenbossen over in heidevelden. Volg eens een dijk, stap een klein museum binnen of blijf na de laatste gracht nog even doorlopen. Juist daar zie je hoeveel ruimte Nederland tussen zijn huizen en wegen heeft gehouden.
