Waarom de ‘panamahoed’ in Cuenca gewoon Ecuadoriaans is
In Cuenca liggen bleke vezels, houten vormen en stoompersen achter een van de hardnekkigste namen uit de modegeschiedenis. De panamahoed komt niet uit Panama, maar uit Ecuador. De Andesstad vormt een belangrijke schakel tussen thuiswevers, afwerkers en internationale handel.
Van vlechtwerk naar hoed in Cuenca
Bleke toquilla-vezels, houten vormen en afgewerkte hoeden liggen op de productievloer van Homero Ortega in Cuenca.
Cuenca ligt niet tussen de velden waar de grondstof groeit. De toquilla komt van de Ecuadoriaanse kust, terwijl de zuidelijke Andes het hoedenvlechten vanaf 1835 overnamen. Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vestigden grote exporthuizen zich in Cuenca. Zo werd de stad een centrum voor weven, afwerken, ontwerpen en verkopen.
Die arbeidsverdeling bestaat nog steeds. In landelijke huishoudens rond Cuenca vlechten makers hoeden naast landbouw, dierenzorg en ander huishoudelijk werk. Sommige weefsters uit Sidcay verkopen hun werk zelf op de Rotary-markt in de stad en verzorgen ook de afwerking. Bedrijven in Cuenca vormen, ontwerpen en exporteren ondertussen hoeden die binnen en buiten de stad zijn gevlochten.
Cuenca is daarmee een goede uitvalsbasis, maar geen fabriek waar één maker een hoed van blad tot lint voltooit. Op markten, in werkplaatsen en in musea komen verschillende stappen samen. De ene maker splijt vezels, een andere vlecht bol en rand, weer anderen wassen, knippen, persen en strijken het werk.
Bij Museo La Magia del Sombrero van Homero Ortega, aan Avenida Gil Ramírez Dávalos, gaan drie museumzalen over in de productieomgeving. Daar volgt het ongevormde vlechtwerk de weg naar een afgewerkte hoed voor de export. In het historische centrum toont het Museo del Sombrero de Paja Toquilla aan Calle Larga gereedschappen, een gereconstrueerde afwerkplaats en werkzaamheden zoals handweven, stoompersen, vormen en het aanbrengen van banden en leren binnenranden.
Een kustblad in de Andes
De naam paja toquilla suggereert stro, maar de vezel komt uit jonge, nog opgerolde bladeren van Carludovica palmata. Deze kortstammige plant met waaiervormige bladeren wordt vaak een palm genoemd en groeit aan de Ecuadoriaanse kust, vooral in Manabí en Guayas. Eén blad kan na het verdelen vijftig tot tachtig vezels opleveren.
De bewerking begint na de oogst van de jonge bladeren, de cogollos. Bewerkers verwijderen de groene buitenlaag, koken de vezels om chlorofyl te verwijderen en laten ze drogen. Zwavelrook boven een houtvuur bleekt het materiaal. Zo krijgen veel natuurlijke toquilla-hoeden hun bleke, roomkleurige tint.
Na het drogen worden de vezels verder gesplitst. De strengen zijn ongeveer één tot twee millimeter dik en combineren zachtheid met buigzaamheid en duurzaamheid. Dunne, gelijkmatige vezels maken een dicht en regelmatig vlechtvlak mogelijk. De hoed blijft daarbij buigzamer dan een stugge, grove strohoed.
Dat kustmateriaal reist naar Azuay en Cañar, waar makers het in de Andes verwerken. De verbinding tussen kust en hoogland zit letterlijk in de hoed: geteeld en voorbereid aan de kust, vervolgens ook gevlochten en afgewerkt rond Cuenca.
Van plantilla tot sierband
Een maker begint boven op de hoed met de ronde plantilla. Vanuit dat middelpunt loopt het vlechtwerk naar de opstaande copa, de bol, en daarna naar de falda of ala, de rand. Een houten vorm ondersteunt de opbouw van de bol. De fedora-deuk of een andere uiteindelijke vorm ontstaat pas tijdens de afwerking; eerst vormt de vlechter één doorlopend lichaam van vezels.
Aan de buitenrand vlecht de maker de uiteinden terug en zet ze vast, zodat het werk niet openvalt. Daarna knipt een afwerker losse vezels weg. Wassen, eventueel opnieuw bleken met zwavelrook, zacht kloppen met een houten hamer, strijken en persen geven kroon en rand hun definitieve lijn. Als laatste volgen de zweetband en de sierband.
Een glanzend lint zegt weinig over de kwaliteit van het vlechtwerk. Dunne vezels, kleine tussenruimtes en een gelijkmatig patroon in zowel kroon als rand wijzen op fijner werk. Grovere exemplaren tonen bredere vezels en grotere openingen. De werktijd loopt uiteen van één dag tot acht maanden, afhankelijk van fijnheid en regelmaat. Een zeer dichte hoed gebruikt bovendien meer materiaal en is daarom niet automatisch de lichtste.
Panama als verkoopadres
De misleidende naam ontstond langs een handelsroute. In de negentiende eeuw werden Ecuadoriaanse hoeden naar de landengte van Panama verscheept. Reizigers kochten ze daar voordat zij verder trokken, onder wie goudzoekers op weg naar Californië. Zij verbonden de hoed aan de plaats van aankoop, niet aan de plaats waar iemand hem had gevlochten.
De internationale handel maakte die vergissing groter. Op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1855 verschenen de hoofddeksels als ‘Panama Hats’, zonder vermelding van Ecuador als herkomst. Arbeiders en ingenieurs droegen ze later bij de aanleg van het Panamakanaal. Een veel verspreide foto van Theodore Roosevelt met een Montecristi-hoed tijdens zijn kanaalbezoek in 1906 hielp de naam verder vast te zetten.
Panama leverde dus het internationale verkoopadres. Ecuador leverde de plant, de vezel en het handwerk.
Jipijapa, Montecristi en Cuenca
Wie alleen in Cuenca kijkt, mist de oudere kusttraditie. Jipijapa en Montecristi in Manabí behoorden in de achttiende eeuw tot de voornaamste productieplaatsen. De naam jipijapa werd zelfs een andere benaming voor dit type hoed. In de negentiende eeuw brachten wevers uit beide plaatsen hun vakkennis naar Azuay en Cañar.
Montecristi verwierf vooral een reputatie voor uiterst fijn vlechtwerk. De allerfijnste exemplaren worden verbonden met het nabijgelegen Pile, waar makers met zeer dun gespleten vezels en een precies aantal steken per rij werken. Klimaat en steekdichtheid spelen daar een belangrijke rol.
Dat maakt Montecristi niet simpelweg ‘beter’ dan Cuenca. Jipijapa staat voor een oude kustwortel en voortgezette huiselijke productie. Montecristi en Pile staan bekend om uitzonderlijke fijnheid. Cuenca bouwde een eigen Andese weefpraktijk op en organiseerde op grote schaal de afwerking, handel en export.
Praktisch in Cuenca
Handen vlechten bleke toquillavezels tot een ongevormde hoed in een werkruimte in Cuenca.
Museo La Magia del Sombrero aan Avenida Gil Ramírez Dávalos 3-86 biedt gratis rondleidingen; op werkdagen zijn vóór 16.00 uur ook het wassen, persen en afwerken te zien. Het Museo del Sombrero de Paja Toquilla aan Calle Larga 10-41 combineert werkruimtes met een winkel en vraagt één dollar entree, die bij een aankoop of cafébestelling wordt verrekend. Bij het gemeentelijke Museo de la Paja Toquilla y el Sombrero aan Rafael María Arízaga 7-95 verkopen weefsters op twee verkooppunten rechtstreeks hun werk. Vraag bij aankoop naar de herkomst, vezeldikte en regelmaat van het vlechtwerk. Superfijn werk kan maanden kosten; de duurste exemplaren brengen internationaal duizenden dollars op.
Op een werktafel ligt een hoed nog zonder deuk, lint of leren binnenrand. Handen leiden de bleke strengen vanuit de ronde plantilla omlaag, rij na rij. Pas later geven pers en strijkijzer het vlechtwerk zijn vaste vorm.
Verder ontdekken
Plekken in dit verhaal
Ecuador
In Ecuador liggen koloniale hooglandsteden, nevelwoud en de Stille Oceaan dicht bij elkaar.
Panama
Cuenca
Provincie Manabí
Guayas
Jipijapa
Montecristi, Manabí
Montecristi is een ambachts- en historische stad aan de voet van Cerro Montecristi in de Ecuadoraanse provincie Manabí. De plaats is nauw verbonden met uiterst fijne, handgevlochten hoeden van paja toquilla, internationaal vaak ten onrechte Panama-hoeden genoemd.
Provincie Azuay
Provincie Cañar
Sidcay
Pile, Manabí
