Bolivia trekt je eerst naar de Salar de Uyuni, waar een dunne laag water na regen de wolken en bergen weerspiegelt. In het droge seizoen rijden jeeps over de harde zoutkorst naar eilanden met reuzencactussen. Een paar uur verder liggen La Paz en El Alto op grote hoogte, met steile straten, bakstenen wijken en gondels die boven het verkeer hangen. In het oosten veranderen de koude vlakten in warme bossen en savannes rond Rurrenabaque.
In La Paz verkopen marktkooplieden aardappelen, cocabladeren en gedroogde pepers. De cabines van Mi Teleférico verbinden de stad met El Alto, waar markten zich tussen lage huizen en brede straten uitstrekken. Op straat hoor je naast Spaans vaak Aymara. Verder naar het zuiden staat Cerro Rico boven Potosí. Spaanse kolonisten wonnen hier eeuwenlang zilver met gedwongen arbeid; mijnwerkers halen er nog steeds erts uit de berg.
Sucre toont een ander gezicht. Witte gevels, binnenplaatsen en rustige pleinen herinneren aan de koloniale tijd en de eerste jaren van de republiek. In de lagere valleien groeien maïs, pinda’s en fruit. Op markten en in kleine eethuizen staan quinoa, chuño en vlees op tafel. Begin de dag met een warme salteña en eet tussen de middag een eenvoudig almuerzo. Bolivia laat zich goed bekijken in een kabelbaan, op een markt of aan een plein waar het dagelijks leven gewoon doorgaat. Ga erheen en geef die plekken de tijd.
