Wie in Nieuw-Zeeland van Rotorua naar Fiordland reist, ziet het landschap voortdurend veranderen. In Rotorua hangen zwavelgeuren boven warmwaterbronnen en modderpoelen. Bij het Tongariro-massief liggen zwarte lavavelden onder besneeuwde toppen. Verder zuidwaarts snijden fjorden door de bergen van Fiordland. In Milford Sound staat Mitre Peak steil boven het donkere water. Aardbevingen en vulkanische activiteit horen nog altijd bij het leven op deze eilanden.
Māori-cultuur staat niet alleen in musea en op podia. Verkeersborden dragen Māori-namen, op radio en televisie klinkt te reo Māori en in Rotorua en Waitangi vertellen marae, houtsnijwerk en verhalen over iwi en voorouders over de geschiedenis van het land. In Wellington laat Te Papa kunst, natuur, kolonisatie en het moderne Nieuw-Zeeland naast elkaar zien.
Ook op het Zuidereiland wisselen de beelden snel. Langs de westkust valt veel regen op dicht regenwoud. Achter de Zuidelijke Alpen liggen de vlakten van Canterbury en de droge heuvels van Central Otago, waar wijnmakers pinot noir verbouwen. Bij Kaikōura rusten pelsrobben op de rotsen. Langs andere kusten leven dolfijnen en pinguïns. Wandelpaden voeren door gletsjerdalen en langs bergmeren.
De steden houden een menselijk formaat. Auckland ligt tussen twee havens, Wellington klimt tegen steile heuvels op en Dunedin toont Schotse gevels tussen cafés en universiteitsgebouwen. Geef Nieuw-Zeeland de tijd: bestel iets lokaals, leer een paar plaatsnamen kennen en blijf nog even kijken waar berg, zee en geschiedenis elkaar raken.
