Een rit door Noorwegen kan binnen een uur van een tunnel naar een veerboot en een steile fjordwand gaan. Langs het water staan houten huizen op smalle stroken grond; achter de dorpen beginnen rotsen, bossen en kale hoogvlaktes. In Oslo liggen het Operahuis, nieuwe musea en zwemplekken aan de kade. Buiten de hoofdstad bepalen bergen, water en lange afstanden het dagelijks vervoer. Dat verschil tussen een compacte stad en een dunbevolkt landschap maakt Noorwegen de moeite waard.
Aan de westkust snijden de Sognefjord en de fjorden rond Geiranger diep het land in. Steile hellingen rijzen direct uit het water op. Op kleine vlakke stukken liggen boerderijen en boomgaarden. Landinwaarts volgen bredere dalen, meren en kale plateaus. De staafkerk van Borgund laat zien hoe bouwers in de middeleeuwen hout gebruikten voor een kerk die regen, sneeuw en kou moest doorstaan.
Boven de poolcirkel staan rode vissershuisjes langs beschutte baaien. Op de Lofoten hangen kabeljauwen in het voorjaar op houten rekken te drogen, onder meer bij Henningsvær en Reine. In het binnenland van het noorden leven Sámi-talen, rendierhouderij en hedendaagse Sámi-kunst naast elkaar. In de zomer blijft het lang licht; in de winter vallen de dagen kort uit. De zee houdt de westkust zachter dan het binnenland. Ga zitten op een veerboot, loop een dorp in en bestel vis, bruine kaas of platbrood: zo komt Noorwegen dichtbij.
