Begin op de Grote Markt in Brussel: vergulde gildehuizen staan er naast het gotische stadhuis. Een paar straten verder hangen striptekeningen aan gevels en tonen de huizen van Victor Horta hun gebogen ijzerwerk en glas. België past veel geschiedenis in een klein gebied, maar de verschillen blijven zichtbaar op straat. In Vlaanderen hoor je Nederlands, in Wallonië Frans en langs de oostgrens Duits. Brussel gebruikt Nederlands en Frans naast elkaar, van stationsborden tot menukaarten. Taal bepaalt er vaak de naam op een bord, het gesprek aan de toonbank en de krant op tafel.
In Gent staan oude koopmanshuizen langs de Leie, terwijl studenten de terrassen rond de Vrijdagmarkt vullen. Antwerpen groeide met de Schelde, de haven, de diamanthandel en de lakenhandel. Rubens had er zijn atelier; vandaag trekken modewinkels, galeries en het KMSKA publiek door de binnenstad. Brugge bewaart reien, pakhuizen en gevels uit de tijd van de Hanzekooplieden, maar in de cafés klinkt ook het gewone stadsleven.
Ten zuiden van de taalgrens loopt de Maas langs Luik en Namen. Fabrieksschoorstenen, mijnsites en arbeiderswijken herinneren daar aan de staal- en steenkoolindustrie. Verder naar het zuiden liggen de beboste hellingen, rivierdalen en dorpen van de Ardennen. Aan tafel komen die verschillende streken samen. Brouwers tappen lambiek of trappistenbier, frituren bakken friet en brasserieën zetten mosselen, stoofvlees en Luikse gehaktballen op tafel. Ga een museum binnen, koop iets op de markt en blijf daarna hangen voor een lange maaltijd. Zo leer je België het best kennen.
