Maleisië laat twee duidelijke gezichten zien. Op het schiereiland staan de torens van Kuala Lumpur vlak bij moskeeën, hindoetempels en Chinese handelshuizen. Aan de andere kant van de Zuid-Chinese Zee liggen Sabah en Sarawak, waar regenwoud grote delen van Borneo bedekt. In Gunung Mulu steken kalkstenen pieken boven het bos uit en lopen grotten diep de heuvels in.
In George Town staan Chinese clanhuizen, moskeeën en winkelpanden uit de Britse tijd naast elkaar in dezelfde straten. Handelaren en migranten brachten ook hun keukens mee. In hawkercentra liggen nasi lemak, roti canai, laksa en Chinese noedelgerechten naast elkaar op het menu. Aan een plastic tafel proef je hoe Maleise, Chinese en Indiase tradities in het dagelijks leven doorlopen.
Buiten de steden wisselen de landschappen snel. Theeplantages vullen de hellingen van de Cameron Highlands. Mangroven en zandstranden liggen langs de kust van Langkawi. In Sarawak varen boten over rivieren naar dorpen en natuurgebieden, terwijl langhuizen nog steeds een rol spelen in het gemeenschapsleven. In de bossen van Sabah leven orang-oetans, en rond kleine eilanden liggen koraalriffen onder helder water. Maleisië past goed bij reizigers die op één dag een bord laksa in een stad willen eten en de volgende ochtend tussen hoge bomen of aan zee willen staan.
