Voor wie verder kijkt dan de drukke hoofdsteden van Zuidoost-Azië, laat Laos een ander tempo zien. In Luang Prabang lopen monniken vroeg in de ochtend langs houten huizen en Franse gevels. Op de markt liggen bossen kruiden, kleefrijst en gegrilde vis op lage tafels. Ten noorden van de stad varen lange boten over de Mekong, tussen beboste hellingen en dorpen aan de oever. In het zuiden splitst dezelfde rivier zich bij Si Phan Don in smalle armen tussen eilanden, zandbanken en stroomversnellingen.
Luang Prabang brengt oude en dagelijkse gebruiken dicht bij elkaar. Monniken onderhouden de kloosters, terwijl wevers in dorpen buiten de stad textiel maken op houten weefgetouwen. Wegen buiten de stad lopen langs rijstvelden naar watervallen, waar water over kalksteen en donkere rotsen stroomt.
Op de Vlakte der Kruiken staan duizenden stenen vaten verspreid over grasland. De vaten stammen uit de ijzertijd. Bomkraters in dezelfde streek herinneren aan de oorlogen van de twintigste eeuw. Verder zuidelijk groeit koffie op het koelere Bolavenplateau. Daar valt water vanaf de hoogvlakte in diepe dalen. Bij Wat Phou staan Khmerresten tegen de voet van een berg, met de Mekong in de vlakte ernaast. Bij Si Phan Don sturen vissers hun boten langs netten en eilandjes.
Aan tafel komen schalen met laap, gegrild vlees, groenten en kleefrijst in het midden te staan. Neem plaats op een marktbankje, kijk naar de boten op de rivier en blijf ook hangen in een kleinere plaats. Daar zie je Laos het best in het gewone werk van de dag.
