Een ochtend bij Khor Virap laat meteen zien waarom Armenië blijft hangen: boven de stille kloostermuren ligt de Araratvlakte, met de besneeuwde top van de Ararat net over de Turkse grens. In dit land staan kerken vaak op kale heuvels, aan de rand van een kloof of tussen lage dorpen. Jerevan toont een ander gezicht. De gevels van roze tufsteen kleuren de straten, brede Sovjetlanen snijden door de stad en rond de Cascade zitten mensen op terrassen met koffie of een glas wijn.
Buiten Jerevan veranderen de kleuren snel. Wegen voeren langs abrikozenboomgaarden en stenen huizen naar Garni, waar een Grieks-Romeinse tempel boven de Azatkloof staat. Bij Geghard lopen bezoekers door ruimtes die uit de rots zijn gehakt. Aan het Sevanmeer liggen vissersplaatsen, kleine stranden en kerken op winderige heuvels. De hellingen bij Dilijan zijn dichter begroeid en voelen koeler dan de droge vlakte rond de hoofdstad.
Aan tafel komen oude gewoonten gewoon terug. Bakkers plakken lavash tegen de hete wand van een tonir. In keukens liggen kruiden, kaas en gevuld deeg op tafel, terwijl wijnmakers rond Areni met druiven uit de streek werken. Het eigen alfabet staat op winkelpuien, menukaarten en grafstenen. Dat schrift, de kerkklokken en de gesprekken aan lange familietafels geven Armenië zijn herkenbare gezicht. Blijf na Jerevan nog even kijken in de valleien en dorpen; daar krijgt het land extra reliëf.
