Zollverein: waar Essen zijn kolenverleden laat staan

Zollverein: waar Essen zijn kolenverleden laat staan

Op Zollverein in Essen staan hijswielen, transportbanden en een bijna kilometer lange rij cokesovens nog op hun plek. In de gebouwen waar duizenden arbeiders steenkool wonnen en verwerkten, zitten nu musea, ateliers en zelfs een openluchtbad.

Met de tram naar de oude mijn

De dubbele schachttoren van Zollverein rijst boven rode bakstenen werkplaatsen in Essen.De dubbele schachttoren van Zollverein rijst boven rode bakstenen werkplaatsen in Essen.

Tramlijn 107 rijdt vanaf Essen Hauptbahnhof rechtstreeks naar Zollverein, door het noordelijke deel van de stad waar mijnbouw en staalindustrie lang het dagelijks leven bepaalden. Bij de halte staat geen compact museum achter één voordeur. De voormalige mijn, de cokesfabriek, oude spoorbanen en latere gebouwen liggen over een uitgestrekt terrein met verschillende ingangen en routes.

Zollverein ontstond door een rijke vetkoollaag bij Katernberg, de spoorlijn Köln–Minden uit 1847 en de vraag naar brandstof voor ijzer- en machine-industrie. Franz Haniel liet de laag ontginnen. In 1851 kwam de eerste steenkool boven. Zes jaar later kreeg Zollverein een cokesfabriek, omdat deze kolen geschikt waren voor cokes voor de staalproductie.

Het bedrijf groeide uit tot een netwerk van schachten. Na de opname in Vereinigte Stahlwerke in 1926 volgde een grote reorganisatie. Fritz Schupp en Martin Kremmer bouwden tussen 1928 en 1932 de centrale Schacht XII. Vanaf 1932 brachten oudere schachten mensen en materiaal naar beneden en zorgden zij voor ventilatie, terwijl alle gewonnen kolen via Schacht XII bovengronds kwamen.

Schacht XII bracht de productieketen in lijn

Vanaf de Ehrenhof staat de dubbele schachttoren precies in de as van het complex. Het 55 meter hoge stalen frame draagt de hijswielen boven de schachthal. Daarachter staat de kolenwasserij, het grootste bovengrondse gebouw van Zollverein. Rond de toren liggen twintig gebouwen langs een productie-as en een energie-as. Werkplaatsen, ketelruimten, compressorhallen en transportbruggen kregen elk een plaats in het productieproces.

Schupp en Kremmer werkten in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Stalen vakwerk draagt de hallen en rode klinkers vullen de gevels. Verticale vensterstroken, rechte lijnen en herhaalde bouwmaten geven het terrein zijn strenge orde; ook leuningen en lichtmasten kregen datzelfde zorgvuldige ontwerp. De maat en plaats van de gebouwen volgden het hijsen, sorteren, wassen en verladen van kolen. De fabriek hoefde dus geen ornamenten. Zij had genoeg aan een zeer precies plan.

Die orde rustte op zwaar ploegwerk. Mijnwerkers daalden via de oudere schachten af en werkten in ondergrondse gangen, waar machines het werk met houwelen geleidelijk vervingen. Bovengronds kiepten installaties de kolenwagens leeg. Zeven, wasserijen en transportbanden scheidden steen van steenkool en voerden het bruikbare materiaal verder. Op het hoogtepunt werkten boven en onder de grond tot 8.000 mensen in ploegendienst.

De mijn draaide tot 23 december 1986. Daarmee sloot Zollverein als laatste van ongeveer 290 Essener mijnen. De neergang was al aan het einde van de jaren vijftig begonnen, toen olie, aardgas en goedkopere importkolen de positie van steenkool ondergroeven.

In de kolenwasserij loopt het Ruhrgebied naar beneden

Een oranje verlichte roltrap brengt bezoekers naar de voormalige kolenwasserij. Die nieuwe toegang steekt bewust af tegen de oude constructie van staal, klinker en transportbruggen. Op 24 meter hoogte liggen het bezoekerscentrum, een café en de toegang tot het Ruhr Museum.

Vroeger bewoog steenkool hier door de machines. In het museum loopt de route in omgekeerde richting: bezoekers dalen vanaf de bovenste verdieping langs drie niveaus af, van het huidige Ruhrgebied naar de geschiedenis en ontwikkeling van de regio. Transportbanden, ruwe betonwanden en grote machines bleven tussen de tentoonstellingsruimten staan.

Andere werkgebouwen kregen even concrete nieuwe taken. Het ketelhuis huisvest het Red Dot Design Museum. In Quartier Nord en het kubusvormige SANAA-gebouw gebruiken studenten van de Folkwang Universiteit ateliers en werkplaatsen voor onder meer hout, metaal, keramiek, textiel, fotografie en digitale media. Het voormalige Schalthaus 2 is een gratis toegankelijke ruimte voor fototentoonstellingen en ontmoetingen.

Voormalige rails vormen nu parallelle en kruisende wandelpaden. Jonge berken staan langs de randen en de Ringpromenade verbindt de delen van het terrein. Hoogteverschillen door de mijnbouw bleven zichtbaar. De begroeiing heeft de werkplek niet verzacht tot decor. Stalen bruggen, pijpleidingen en grote machines tekenen nog altijd de route die het materiaal aflegde.

Langs de ovenbatterij van de cokesfabriek

Ten westen van Schacht XII ligt de centrale cokesfabriek, die in 1961 begon te produceren. De ovenbatterij loopt bijna een kilometer langs de voormalige spoorlijn. Baksteen bekleedt betonnen volumes; staalconstructies, kolentorens, blusinstallaties en schoorstenen maken dit deel langer en horizontaler dan de mijngebouwen.

Arbeiders mengden hier verschillende soorten kolen en vulden daarmee de ovens. Zonder lucht werd de steenkool maximaal achttien uur verhit. Machines duwden vervolgens een gloeiende cokeskoek uit de oven. Water bluste de cokes, waarna installaties het materiaal zeefden en afvoerden. Aan de zogenoemde witte zijde verwerkten arbeiders de vrijkomende gassen tot onder meer ammoniak, ruwe benzol en teer. Na een uitbreiding in de jaren zeventig telde de fabriek 304 ovens en werkten er op het hoogtepunt ongeveer 1.000 mensen.

De cokesfabriek sloot op 30 juni 1993 en ging zes jaar later open voor publiek. Rondleidingen lopen nu langs de ovenbatterijen, duwmachines en gasbehandeling. In een geopende batterij tonen licht, modellen en projecties hoe het cokesproces verliep. De voormalige zoutfabriek bevat bovendien een beloopbaar depot van het Ruhr Museum met 25.000 geologische, archeologische en historische voorwerpen.

Twee aan elkaar gelaste zeecontainers vormen sinds 2001 het Werksschwimmbad. In de zomer zwemmen buurtbewoners en bezoekers er tussen de industriële installaties. Niet ver weg staan de ovens waarin cokesarbeiders ooit in een continu drieploegenbedrijf werkten.

Zollverein laat daarmee een verandering zien die elders in het Ruhrgebied ook zichtbaar is, maar zonder de oude productie uit beeld te duwen. De gesloten schachten, spoorlijnen en installaties bleven staan; museumbezoek, onderwijs, tentoonstellingen en recreatie gebruiken nu delen van hetzelfde terrein. Ook de terrils en oude industriecomplexen in de regio herinneren eraan dat mijnbouw het landschap zelf heeft gevormd.

Praktisch voor een kort bezoek

Het buitenterrein van de mijn en de cokesfabriek is altijd gratis toegankelijk; een gratis plattegrond helpt bij de afstand tussen beide zones. Het Ruhr Museum is dagelijks open van 10.00 tot 18.00 uur en het Red Dot Design Museum van 11.00 tot 18.00 uur; voor beide musea geldt entree. Rondleidingen door de mijngebouwen en de cokesfabriek voeren langs oorspronkelijke installaties en zijn vooraf te reserveren. Vanaf Essen Hauptbahnhof rijdt tram 107 naar halte Zollverein; bus 183 stopt bij de kolenwasserij en de cokesfabriek.

De toren boven de straat

Het dubbele hijsframe rijst boven bakstenen hallen en transportbruggen op bij Zollverein in Essen.Het dubbele hijsframe rijst boven bakstenen hallen en transportbruggen op bij Zollverein in Essen.

Sinds 2001 staan de mijn en de cokesfabriek samen op de Werelderfgoedlijst. Op straatniveau verschijnt eerst het dubbele hijsframe. Daaronder sluiten rode baksteenvlakken, zwarte staalconstructies en hoge vensterstroken op elkaar aan. Op de Ehrenhof staat de toren recht vooruit, met de kolenwasserij erachter en transportbruggen tussen de gebouwen: de volledige productiemachine, stil maar nog altijd leesbaar.