Boven de Rijn staan wijnstokken op steile hellingen. Beneden liggen kleine dorpen met vakwerkhuizen, kades en veerponten. In het Ruhrgebied kregen oude mijnen en fabrieken een tweede leven als museum, podium of atelier. Tussen die twee werelden liggen handelssteden, bossen en landbouwgrond dicht bij elkaar.
Berlijn laat de twintigste eeuw zien zonder dat je ver hoeft te lopen. Bij de Brandenburger Tor, langs de resten van de Muur en in de wijken eromheen staan musea, woonblokken, clubs en galeries door elkaar. Dresden heeft een barok centrum aan de Elbe. München trekt bezoekers naar bierhallen, kunstmusea en brede straten. Kleinere steden houden net zo goed stand. In Lübeck herinneren de bakstenen pakhuizen aan de Hanze. In Weimar staan de huizen van Goethe en Schiller niet ver van plekken waar het Bauhaus begon.
Buiten de steden wisselt het beeld snel. De Moezel loopt langs wijngaarden en burchten. Wandelpaden snijden door het Zwarte Woud. Aan de Waddenzee komen bij eb brede zandplaten bloot te liggen. Ook op tafel verschillen de streken duidelijk. In het noorden eet je vis met roggebrood. In Franken schenken brouwers rookbier bij stevige worsten. In het zuidwesten staan Spätzle en Flammkuchen op de kaart. Strijk neer op een markt, loop een regionaal museum binnen of drink iets op een dorpsplein langs de rivier. Daar komt Duitsland dichtbij.
