Een zwarte kust, een witte gletsjer en een warm buitenbad: in IJsland liggen ze soms op een paar uur rijden van elkaar. Rivieren snijden door lavavelden en storten van donkere kliffen. Uit de grond komt warm water voor huizen, kassen en openbare baden. Langs de kust staan kleine vissersplaatsen, waar de haven en de visverwerking nog altijd het dagelijks werk bepalen.
Bij Skógafoss valt het water zestig meter langs een donkere rotswand naar beneden. Bij Vík slaan de golven op zwart zand en basaltzuilen. Daarachter liggen de ijskappen van Eyjafjallajökull en Mýrdalsjökull. Smeltwater, as en lava hebben brede vlaktes achtergelaten, met boerderijen die ver van elkaar staan.
Reykjavík houdt het klein en levendig. Lage, gekleurde huizen staan er naast Harpa, de concertzaal aan de haven, en in de zwembaden praten buurtbewoners in warm water. Op Þingvellir kwam het Alþingi vanaf de tiende eeuw bijeen tussen rotswanden waar de bodem langzaam uiteenwijkt. Op Snæfellsnes volgen lavakusten, vissersdorpen en de gletsjer Snæfellsjökull elkaar op één schiereiland.
Op tafel liggen vis, lamsvlees, skyr en donker roggebrood. Na een wandeling door wind en regen voelt een warm bad des te beter. Blijf nog even hangen in een kustplaatsje, bestel iets warms en kijk hoe het licht over lava en zee verandert.
