Wie in Boedapest van de Donau naar de heuvels van Boeda loopt, ziet neogotische torens, Habsburgse gevels en oude badhuizen op korte afstand van elkaar. Onder de stad voert warm bronwater naar bassins waar buurtbewoners zwemmen, weken en een potje schaken. Buiten de hoofdstad maakt steen plaats voor graanvelden en grasland. Op de Grote Hongaarse Laagvlakte staan kuddes tussen de horizon en de lucht. Rond Tokaj en het Balatonmeer liggen wijngaarden tegen de heuvels. Zo liggen hoofdstad, provinciestad en platteland dicht bij elkaar, maar zien ze er heel anders uit.
De Hongaarse geschiedenis staat op straat. In Boedapest liggen Ottomaanse koepelbaden vlak bij koffiehuizen uit de tijd van de dubbelmonarchie. In Pécs staan een voormalige moskee en vroegchristelijke graven tussen gewone winkelstraten. Op de poesta houden herders grijze runderen en wolvarkens. In markthallen liggen zakken paprikapoeder, potten ingelegde groenten en gerookte worsten op de kramen.
Ook aan tafel verschillen de woorden en gerechten. Goulash is in Hongarije meestal een soep; pörkölt komt als dikke stoofpot op tafel. Wijnboeren rond Tokaj maken droge witte wijn en zoete aszú. Langs het Balatonmeer schenken kelders vooral frisse witte wijn. In de zomer zitten gezinnen op de stranden en lopen ze over de steigers van het ondiepe meer. Gun jezelf een ochtend in een badhuis, lunch in een markthal en een middag in een kleinere stad. Daar krijgt Hongarije al snel meer gezichten dan alleen het uitzicht op de Donau.
