Palawan levert het bekende beeld: een houten uitleggerboot glijdt door een turquoise lagune, tussen steile kalksteenwanden. De Filipijnen beginnen daar pas. In Metro Manila stoppen jeepneys naast winkelcentra en betonnen woonwijken. In Noord-Luzon lopen rijstterrassen als brede treden langs de berghellingen. Op de eilanden klinken andere talen, staan andere gerechten op tafel en bepalen havens het dagelijks verkeer.
In Manila liggen de Spaanse muren van Intramuros tussen drukke straten en hoge gebouwen. Fort San Pedro in Cebu toont dezelfde koloniale geschiedenis in een andere havenstad. Handelaren lossen vis, fruit en vracht bij de kades, terwijl families per veerboot naar een ander eiland reizen.
Buiten de steden werken veel mensen op het land en op zee. Bij Banaue en Batad houden Ifugao-families de rijstterrassen in stand die hun voorouders aanlegden. Op Bohol steken de ronde Chocolate Hills boven akkers en dorpen uit. Aan tafel staat rijst bij bijna elke maaltijd. Koks grillen vis, maken kinilaw met azijn en stoven adobo met knoflook en sojasaus. Filipino en Engels hoor je overal, naast Cebuano, Ilocano en vele andere talen. Wie verder kijkt dan het strand, ziet een archipel met veel gezichten. Ga zitten bij een eethuis, neem een boot naar de volgende kustplaats en kijk rustig rond.
