Op de Serengeti lopen gnoes, zebra’s en gazellen door het open gras. Leeuwen liggen bij granieten kopjes en giraffen steken af tegen acacia’s. Verder oostwaarts staat de Kilimanjaro boven akkers en nevelwoud. Aan de kust varen dhowboten langs huizen van koraalsteen. Tanzania brengt safari, bergland en Swahili-steden bij elkaar, maar elk gebied heeft een eigen verleden en een eigen dagelijks ritme.
De parken in het noorden zijn het bekendst. In de Ngorongorokrater grazen zebra’s en gnoes onder de steile kraterrand. In Tarangire staan oude baobabs langs de rivier, waar olifanten in het droge seizoen komen drinken. In Nyerere en Ruaha in het zuiden bepalen brede rivieren, rotsheuvels en droog bos het uitzicht. Daar ontbreken de eindeloze grasvlakten van de Serengeti.
Langs de Indische Oceaan staan handelshuizen, moskeeën en zware houten deuren als sporen van eeuwen handel met Arabië, India en het Afrikaanse binnenland. In Stone Town lopen stegen tussen koraalstenen huizen. Op de markt liggen kruidnagels, cassave en verse vis. Bagamoyo en Kilwa bewaren eveneens gebouwen en ruïnes uit de tijd van kusthandel, koloniaal bestuur en gedwongen verplaatsing.
Op het vasteland staan ugali, bonen, pilau en gegrild vlees op tafel. Aan de kust koken mensen vaker met kokos en specerijen. Wie na de safari ook tijd maakt voor een markt, een kuststad of een maaltijd aan zee, ziet meer van Tanzania dan alleen de bekende safarifoto’s. Dat maakt het land de moeite waard om rustig te leren kennen.
