Van katoendraad tot colbert: Faso Dan Fani in Koudougou en Ouagadougou
Faso Dan Fani begint als katoendraad en eindigt als pagne, overhemd, toga of staatskleding. Tussen de getouwen van Koudougou en de stoffenhandel van Ouagadougou krijgt het handwerk zijn strepen, prijs en politieke lading.
Geverfde draden in Koudougou
In de wijk Burkina in Koudougou staat de productie-eenheid van François 1er. Ontwerper François Yaméogo opende het complex in 2018 om weven, verven en het maken van kleding op één terrein onder te brengen. Er werken meer dan tachtig mensen, van wie zeventig vrouwen.
Het terrein beslaat ongeveer 3.000 vierkante meter en telt afzonderlijke werkruimten. In de handweefafdeling spinnen werksters katoen en bedienen anderen de getouwen. Elders rollen medewerkers garens op. In de creatieruimte ligt bewerkt katoen klaar. Kleermakers gebruiken in een ander gebouw elektrische naaimachines om de geweven stof tot kleding te verwerken.
De naam Faso Dan Fani betekent in het Dioula ‘geweven doek van het vaderland’. Het textiel bestaat uit handgeweven katoen, niet uit een motief dat achteraf op fabrieksdoek wordt gedrukt. De kleurvolgorde zit al in de draden die de wever op het getouw zet.
In Koudougou stemmen medewerkers al geverfde draden met handgereedschap op elkaar af. Daarna weven werksters de stof en controleren kleermakers de naden van hemden en jasjes. Tijdens een gedocumenteerd reportagebezoek speelde muziek bij het werk. De afgewerkte kleding hangt vervolgens in de winkel van François 1er in Koudougou.
Aan die draad gaat werk vooraf. Katoenboeren leveren de vezel, waarna het zaad van de vezel wordt gescheiden en spinners er bruikbaar garen van maken. Een deel van dat werk gebeurt met de hand. Filature du Sahel in Bobo-Dioulasso verwerkt ook ruw katoen tot garen voor duizenden ambachtslieden.
Ververs kleuren het garen vóór het op het getouw komt. Zij gebruiken, afhankelijk van werkplaats en bestelling, plantaardige of moderne gecertificeerde kleurstoffen. Indigo geeft blauw, maar natuurlijke indigo hoort niet vanzelf bij alle huidige Faso Dan Fani. Onder onderzochte stadsweefsters in Ouagadougou waren industrieel garen en chemische kleurstoffen gebruikelijk, mede door het bredere aanbod aan felle kleuren.
Strepen die op het getouw ontstaan
De wever ordent de kettingdraden en legt daarmee brede en smalle kleurbanen vast. Daarna gaat de inslag met een schietspoel door de ketting. De geweven baan rolt aan de voorkant van het getouw op.
Veel vrouwelijke wevers in Ouagadougou werken op een horizontaal ijzeren getouw met metalen pedalen, een houten schietspoel en een halfautomatische kam. Zo’n getouw levert banen van ongeveer 30 tot 40 centimeter breed. Het oudere houten mannengetouw maakt smallere stroken van ongeveer 2 tot 25 centimeter.
Weefsters van ATK in Cissin verwerken gekleurd garen op horizontale getouwen onder een afdak.
Die breedte blijft zichtbaar in het eindproduct. Wevers naaien smalle banen naast elkaar tot een pagne of grotere lappen voor kleding. De bekende lengtestrepen komen voort uit die bandconstructie en uit de vooraf gekozen kleurdraden. Ook ruiten en complexere dessins kunnen tijdens het weven ontstaan.
Een weefster van de Association des tisseuses de Kadiogo in Cissin noemde bijvoorbeeld vijftien blauwe, drie gele en drie mauve draden voor één kleurvlak. Onder het afdak van de vereniging zitten weefsters naast elkaar aan getouwen. Lange, dikke kleurdraden hangen aan de machines en zakken met garenrollen liggen ernaast. De schietspoel gaat van links naar rechts terwijl voeten de pedalen indrukken.
Niet ieder patroon zegt overal hetzelfde. Mossi, Marka, Gourmantché, Dagara en Bobo ontwikkelden eigen weeftradities en motieven. Kleurcombinaties en strepen kunnen plaatselijke verhalen of waarden dragen, maar vormen geen nationale codetaal met één vaste betekenis.
Historisch sponnen en verfden vooral vrouwen het katoen, terwijl mannen op horizontale getouwen weefden. Die taakverdeling toont de oorsprong van het ambacht, maar geldt niet voor elke huidige werkplaats. Veel hedendaagse netwerken bestaan grotendeels uit vrouwelijke wevers.
Een kledingstuk wordt politiek
Thomas Sankara gaf het bestaande textiel in de jaren tachtig een nieuwe politieke functie. Tijdens zijn revolutionaire bewind van 1983 tot 1987 koppelde hij lokaal produceren en dragen aan economische zelfstandigheid en verzet tegen ingevoerde goederen. Een decreet uit 1986 verplichtte ambtenaren kleding van Faso Dan Fani te dragen in plaats van westerse pakken.
De overheid werd daarmee een zichtbare afnemer van lokaal katoen, garen, weefwerk en naaiwerk. Sankara legde ook nadruk op betaald werk voor vrouwen, wat de opkomst van weefsterscoöperaties ondersteunde.
Ambtenaren dragen lokaal geweven Faso Dan Fani in een overheidskantoor in Burkina Faso.
De stof was echter geen vrijwillig gekozen volksuniform. Ambtenaren kregen dienstkleding opgelegd binnen een revolutionair bestuur dat ook andere dwangmiddelen gebruikte. Faso Dan Fani droeg daardoor tegelijk lokaal vakwerk, economische politiek en staatsmacht in zich.
Na de moord op Sankara in 1987 bleven makers de stof produceren. Vanaf de jaren 2010 verscheen zij opnieuw nadrukkelijk bij politieke en officiële gelegenheden. Een regeringsedict uit 2023 maakte handgeweven textiel tot officiële staatskleding en schreef gebruik voor bij staatsgelegenheden en schooluniformen.
Coöperaties tussen garen en klant
Coöperaties regelen meer dan het weven. Ze verdelen garen, coördineren bestellingen en betalingen, controleren kwaliteit en brengen makers in contact met afnemers. CABES, opgericht in Ouagadougou in 2014, werkt met 91 verenigingen en ongeveer 2.400 ambachtslieden, merendeels vrouwen. Binnen het netwerk werken ook ververs, verkopers, logistieke medewerkers en kwaliteitscontroleurs.
Ontwerpers snijden de handgeweven banen intussen voor andere kledingvormen. François Yaméogo verwerkt indigogekleurde Faso Dan Fani onder meer in colberts, overhemden en moderne pakken. Andere makers combineren de stof met ander textiel of kiezen nieuwe snitten. CABES laat naast klassieke strepen ook ruiten, ikat, pied-de-poule, piqué en seersucker weven. Bredere getouwen leveren stof voor andere kledingtoepassingen en internationale afnemers.
Ook publieke kleding veranderde. Ontwerper Alida Bazié maakte in 2023 de eerste universitaire toga’s van Faso Dan Fani voor de Université Joseph Ki-Zerbo. In november 2024 volgden toga’s voor de rechterlijke wereld. Dezelfde geweven katoenen stof verschijnt zo als pagne, colbert, academische toga en ambtskleding.
Handwerk bepaalt mede de prijs. De Kadiogo-unie, met 32 verenigingen en bijna duizend leden, stelt dat één pagne minstens twee tot drie dagen werk vraagt. Goedkope ingevoerde stoffen en imitaties zijn daarmee niet rechtstreeks vergelijkbaar. Sinds 2021 helpt een officieel label kopers om gecontroleerde Faso Dan Fani van andere stoffen te onderscheiden. Alleen erkende producenten en verkopers mogen het gebruiken.
Rollen stof op Rood Woko
Op de Grand Marché, beter bekend als Rood Woko, heeft lokaal textiel uit Burkina Faso een eigen gang. Handelaren leggen er Faso Dan Fani in verschillende kleuren en kwaliteiten naast elkaar. Sommige bestellingen gaan naar leden van de diaspora, die de stoffen op festivals en andere verkooppunten verder verhandelen.
Een verkoper ordent zijn voorraad terwijl twee jonge helpers bij de ingang voorbijgangers aanspreken. Voor hen liggen geweven banen en pagnes naast elkaar, met strepen die bij het rangschikken van de eerste kleurdraden zijn begonnen.
Verder ontdekken
