Paramaribo geeft Suriname meteen een eigen gezicht. Langs de straten staan houten huizen en overheidsgebouwen naast markten, winkels en kleine eetzaken. De hoge houten Sint-Petrus-en-Pauluskathedraal staat op loopafstand van de Keizerstraatmoskee en de synagoge Neve Shalom. In diezelfde stad hoor je Nederlands, Sranantongo, Sarnami, Javaans en talen van Marron- en inheemse gemeenschappen. Op tafel liggen pom, roti, saoto en pindasoep naast elkaar, zonder dat iemand daar veel woorden aan vuilmaakt.
Buiten Paramaribo neemt het water het over. De Surinamerivier en haar zijrivieren voeren langs dorpen, stroomversnellingen en dicht bos. Bootmannen sturen korjalen naar plekken zonder wegverbinding. In dorpen van Marrons en inheemse volken blijven eigen talen, ambachten en lokale gezagsvormen zichtbaar in het dagelijks leven.
Langs de Commewijnerivier staan oude plantages en kleine nederzettingen tussen het groen. Fort Nieuw-Amsterdam en de resten van Jodensavanne tonen sporen van slavernij, contractarbeid en de landbouw die de kolonie droeg. Aan de kust liggen mangroven en modderbanken; vogels zoeken er voedsel en zeeschildpadden komen er aan land. Suriname vraagt geen strak programma. Blijf hangen bij een warung in Paramaribo, steek een rivier over en gun jezelf een paar dagen buiten de stad.
