Chili strekt zich 4.300 kilometer uit langs de Stille Oceaan, maar is op veel plekken nauwelijks 180 kilometer breed. In het noorden liggen de zoutvlaktes, vulkanen en droge valleien van de Atacama. Rond Santiago groeien druiven aan de voet van de Andes. Verder zuidwaarts snijden fjorden het land in eilanden en schiereilanden, en staan gletsjers onder granieten pieken. Die verschillen volgen elkaar op binnen één lang land.
In Santiago verkopen handelaren fruit, vis en kruiden in de markthallen. Brede lanen lopen er langs woonwijken en gebouwen uit de republikeinse tijd. Even verderop liggen wijngaarden tegen de uitlopers van de Andes. In Valparaíso staan gekleurde huizen op steile heuvels boven de haven. Muurschilderingen vullen trappen en muren. Oude kabeltreintjes rijden omhoog en omlaag. Pablo Neruda verzamelde kaarten, schilderijen en scheepsvoorwerpen in zijn huis La Sebastiana.
Rond Temuco houden Mapuche-culturele centra de taal, ambachten en geschiedenis van de Mapuche zichtbaar. Op Chiloé staan houten kerken naast palafitos, huizen op palen boven het water. Koks garen er curanto met schelpdieren, vlees en aardappelen op hete stenen. Bij Torres del Paine lopen wandelaars onder granieten torens en varen boten langs fjorden. Blijf ook hangen in de kleinere plaatsen tussen deze bekende plekken, voor een markt, een bord eten of een gesprek aan tafel.
