Wie Slovenië binnenrijdt, ziet al snel waarom het land meer is dan een tussenstop tussen Oostenrijk, Italië, Kroatië en Hongarije. In het noordwesten rijzen de Julische Alpen op. Verder naar het zuiden liggen wijngaarden tussen kalkstenen heuvels en eindigt het land aan de Adriatische Zee. In Ljubljana stroomt de Ljubljanica langs de markthallen, terrassen en bruggen. De hoofdstad voelt overzichtelijk, maar buiten de stad wisselen bergpassen, grotten en kuststraten elkaar snel af.
Bij Bled trekken de kerk op het eiland en het kasteel boven het meer meteen de aandacht. Even verderop begint het Triglav Nationaal Park. De Soča snijdt daar door steile dalen, terwijl wandelpaden over alpenweiden en oude passen lopen. Ten zuiden van Ljubljana verdwijnt het water juist in de kalksteen. In de grotten van Škocjan stroomt een rivier door een diepe ondergrondse kloof.
De Sloveense kust is kort, maar Piran laat een andere kant van het land zien. In de smalle straten staan Venetiaanse gevels, en in de haven liggen boten aan de Adriatische Zee. In de Vipavavallei en rond Brda werken wijnmakers tussen de heuvels. Op tafel staan jota, een stevige soep met bonen en zuurkool, en štruklji: deegrollen met een zoete of hartige vulling. Die gerechten passen net zo goed bij de bergkeukens als bij de invloeden uit de Balkan en Noord-Italië. Blijf dus niet alleen in Ljubljana of bij Bled. Ga een dorp in, schuif aan voor lunch en kijk hoe Slovenië van streek tot streek van karakter verandert.
