Riga zet meteen de toon, met de rijk versierde jugendstilgevels aan Alberta iela en de grote marktloodsen bij de Daugava. De stad groeide door de handel over de Oostzee, maar buiten de hoofdstad ligt een heel ander decor. Dennen staan tot vlak achter brede zandstranden. In het Nationaal Park Gauja snijden rivierbochten door zandstenen rotsen en staan kasteelruïnes tussen de bomen. De afstanden blijven klein genoeg om op één reis zowel Riga als bos en kust te zien.
In Cēsis staan de muren van een middeleeuws kasteel vlak bij straten met houten huizen. In Kuldīga loopt een lange bakstenen brug over de Venta. Even verder stroomt de rivier breed en laag over Ventas Rumba. Aan de kust liggen vissersdorpen en Jūrmala, waar houten villa’s achter de duinen staan.
De twintigste eeuw liet ook zware sporen achter. Musea, Sovjetgebouwen en voormalige militaire terreinen behandelen de bezetting, deportaties en de herwonnen onafhankelijkheid. Koren zingen nog steeds in grote zangfeesten, volksdansgroepen oefenen in dorpshuizen en ambachtslieden werken met hout, linnen en wol. Op tafel staan donker roggebrood, gerookte vis, aardappelen en grijze erwten met spek. Wie na Riga ook Cēsis, Kuldīga of een rustig strand bezoekt, ziet een land met veel meer dan statige gevels. Kom kijken, eet mee en neem de tijd voor de kleinere plaatsen.
