In Granada staan felgekleurde gevels, houten deuren en daken met rode pannen langs de straten rond oude kerken. Achter de stad ligt de beboste vulkaan Mombacho. Verder zuidwaarts steken Concepción en Maderas boven het Meer van Nicaragua uit. Op Ometepe groeien bakbananen, koffie en cacao op de donkere vulkaangrond. Langs de Pacifische kust wisselen droge laaglanden, koffiehellingen en zwarte stranden elkaar af.
In León vertellen muurschilderingen over de revolutie en de burgeroorlog. Vanaf het witte dak van de kathedraal kijk je uit over lage huizen en de vulkanen buiten de stad. In Masaya snijden ambachtslieden hout, bewerken ze leer en bakken ze aardewerk. Op markten en in kleine eethuizen staan gallo pinto en vigorón op tafel: rijst met bonen, of cassave met varkenszwoerd en koolsalade.
Aan de Caribische kust klinkt naast Spaans ook Engels-Creools en verschillende inheemse talen. Koks maken rondón met kokosmelk, vis en knolgewassen. In Bluefields en op de Corn Islands bepalen houten huizen, bootverkeer en een vochtiger klimaat het straatbeeld. De Río San Juan voert door het zuiden langs rivierplaatsen en tropisch bos. Tussen de droge westkust, de vulkanen en de Caribische eilanden liggen grote verschillen op korte afstand. Wie Nicaragua verder wil leren kennen, vindt in die verschillen steeds een volgende reden om te blijven kijken.
