Doesjanbe laat een andere kant van Tadzjikistan zien dan de Pamir: brede lanen, theehuizen en moderne overheidsgebouwen liggen er voor droge berghellingen. Buiten de hoofdstad verandert het beeld snel. Langs de Pjandzj loopt de weg naar het oosten, richting kale bergwanden en hoogvlaktes. In de Pamir ligt de weg op sommige plekken boven 4.000 meter. In de Wachanvallei staan akkers, populieren en lemen huizen langs de grens met Afghanistan. Aan de overkant rijst de Hindoekoesj op.
In het westen brengen de Fann-bergen weer andere kleuren. Smeltwater vult de valleien rond Pantsjakent, waar abrikozen, druiven en moerbeien tussen de dorpen groeien. Hogerop liggen heldere bergmeren. Bij Pantsjakent staan de muurresten en fundamenten van een Sogdische handelsstad. Het nabijgelegen Sarazm was duizenden jaren eerder al bewoond.
Tadzjieks hoort bij dezelfde taalfamilie als het Perzisch in Iran en het Dari in Afghanistan. Die verwantschap klinkt in gesprekken en komt terug in poëzie, muziek en plaatsnamen. Op markten verkopen handelaren ronde broden, gedroogd fruit, noten en verse kruiden. In theehuizen staat plov op tafel, met rijst, wortel en vlees. Qurutob bestaat uit stukken platbrood met yoghurtkaas en ui. Neem de tijd voor een maaltijd in Pantsjakent en een rit door de Pamir. Dan zie je hoe steden, valleien en bergdorpen hier naast elkaar bestaan. Tadzjikistan ontvangt je graag aan tafel of langs de weg.
