Wie Singapore alleen van Marina Bay kent, mist het leven aan de gedeelde tafels van de hawkercentra. Onder tl-licht bestellen bewoners en bezoekers laksa, saté, roti prata of kiprijst bij kleine keukens. Chinese, Maleise, Indiase en andere koks werken er naast elkaar. Aan de tafels zitten gezinnen, collega’s en reizigers door elkaar. De gerechten verschillen per kraam, maar iedereen eet in dezelfde open ruimte. In de buurten krijgt die mengeling een gezicht. Rond de gouden koepel van de Sultan Mosque verkopen winkels in Kampong Gelam stoffen, parfum en eten. Little India ruikt naar bloemenkransen, kruiden en wierook; in de etalages liggen gouden sieraden. In Chinatown staan boeddhistische en hindoeïstische gebedshuizen tussen voormalige handelshuizen. Verder oostelijk tonen Katong en Joo Chiat kleurige shophouses met tegels, houten luiken en overdekte galerijen. Peranakan gezinnen brachten hier Chinese en Maleise gewoonten samen in hun huizen, kleding en gerechten.
Ook buiten de winkelstraten blijft Singapore verrassend groen. Paden lopen onder hoge bomen in Bukit Timah en langs het water van MacRitchie Reservoir. Bij Sungei Buloh zoeken steltlopers voedsel tussen slik en mangrovewortels. Voor de kust varen containerschepen langs de hoogbouw.
Dat beeld past bij Singapore: een metro brengt je van een druk winkelcentrum naar een voedselmarkt, een tempelstraat of een wandelpad onder het bladerdak. Ga niet alleen voor de skyline. Eet bij een hawkerkraam, loop door een oude buurt en zoek de mangrove op. Dan zie je hoeveel er op dit kleine eiland naast elkaar bestaat.
