Op de vlakte van Bagan steken duizenden bakstenen stoepa’s en tempels boven akkers en lage struiken uit. Koningen lieten ze vanaf de elfde eeuw bouwen langs de Ayeyarwady. Die brede rivier loopt nog altijd door een groot deel van Myanmar. In Yangon glimt de gouden Shwedagonpagode boven koloniale kantoorgebouwen, flats en theehuizen uit. Monniken, marktverkopers en forenzen lopen er door dezelfde straten. Zo liggen boeddhistische rituelen en het dagelijkse stadsleven dicht bij elkaar.
In Mandalay maken ambachtslieden bladgoud, marmeren beelden en houtsnijwerk voor kloosters en pagodes. Net buiten de stad liggen voormalige koningssteden. In Amarapura loopt de houten U Bein-brug over het ondiepe Taungthamanmeer. Verder oostwaarts bedekken akkers en theeplantages de heuvels van Shan State. Op het Inlemeer staan huizen en werkplaatsen op palen. Smalle boten brengen mensen, groenten en handelswaar van dorp naar dorp.
Ook de keuken laat die verscheidenheid zien. Mohinga, rijstnoedels in visbouillon, staat vaak al vroeg op tafel. Voor lahpet thoke mengen koks gefermenteerde theebladeren met kool, peulvruchten, knoflook en noten. Bij een maaltijd delen mensen rijst, curry’s, groenten en kleine schaaltjes bijgerechten. Kijk in een markt, drink thee aan een lage tafel en blijf even staan bij een klooster of aanlegsteiger. Daar zie je Myanmar op zijn dagelijksst.
