Kirgizië laat zich niet vangen in alleen hoge passen en afgelegen grasland. In Bisjkek staan Sovjetflats langs brede lanen, terwijl handelaren op de Osj-bazaar zakken kruiden, noten en gedroogd fruit uitstallen. Een paar uur rijden verder grazen paarden rond het hooggelegen Song-Köl. Herdersfamilies brengen daar de zomer door in joerten. Zo liggen stadsleven en nomadische gebruiken dicht bij elkaar, zonder dat het ene het andere heeft verdrongen.
In Osj loopt de bazaar door smalle gangen vol ronde broden, specerijen en stoffen. Boven de stad rijst de rots Soelajman-Too op, al eeuwen een religieuze plek en herkenningspunt in de Ferganavallei. Verder oostwaarts volgt de weg de oever van Issyk-Köl. Dorpen, stranden en droge hellingen wisselen elkaar daar af. Aan de zuidkant van het meer maken ambachtslieden vilten sjyrdaks. De patronen verschillen per familie en streek.
In het binnenland bepaalt de hoogte veel van het dagelijks werk. Herders brengen kuddes naar de zomerweiden en halen ze terug als de kou inzet. Wegen over hoge passen kunnen lang onder sneeuw liggen. Karakol toont een andere geschiedenis: de houten Russisch-orthodoxe kerk staat er vlak bij een Dunganmoskee, en in kleine restaurants komen noedels en deeggerechten op tafel. Neem de tijd voor een markt, een meer en een dorp in de bergen. Dan zie je hoe uiteenlopend Kirgizië is, en juist daarin zit de charme van een bezoek.
