Begin in Bakoe, waar de Maagdentoren boven de zandstenen daken van İçərişəhər uitsteekt. Achter de stadsmuren liggen smalle straten, binnenplaatsen en het paleis van de Shirvanshahs. Een paar straten verder staan herenhuizen uit de oliehausse van de negentiende eeuw. Langs de boulevard aan de Kaspische Zee rijzen glazen kantoortorens op. Die korte afstanden maken de hoofdstad meteen interessant: oud steenwerk, Sovjetblokken en nieuwe bouw staan hier door elkaar.
Ten zuiden van Bakoe tonen de rotsen van Gobustan duizenden tekeningen van jagers, dieren en boten. In hetzelfde droge gebied borrelt modder uit lage kraters. Rijd je noordwaarts, dan nemen de kale vlakten plaats voor de hoge Kaukasus. In Xınalıq staan stenen huizen dicht tegen een helling. Veel inwoners spreken er naast Azerbeidzjaans ook Khinalug, hun eigen taal.
Şəki laat een ander verleden zien. In de karavanserai sliepen kooplieden die tussen Perzië, de Zwarte Zee en Centraal-Azië reisden. In het paleis van de khans kleuren houten ramen met kleine stukjes glas de kamers. Bakkers maken er halva met noten en suikerstroop. Op tafel komen plov met saffraan, dolma van wijnbladeren en zwarte thee in peervormige glazen. Perzische, Turkse, Russische en Kaukasische sporen zitten hier in gebouwen, gerechten en talen. Wie na Bakoe ook Şəki, Gobustan of een bergdorp opzoekt, ziet een land dat veel verder reikt dan de skyline aan zee. Ga kijken en neem de tijd voor een extra glas thee.
