De Hindu Kush snijdt Afghanistan in hoge bergpassen en droge dalen. Bij Band-e Amir liggen zes meren, helderblauw en turquoise, tussen bleke kalksteenwanden. In Bamiyan staan akkers en dorpen onder de lege nissen van twee grote Boeddhabeelden. De Taliban bliezen de beelden in 2001 op. Lang daarvoor liepen handelaren en pelgrims door dit dal, op weg tussen Centraal- en Zuid-Azië.
Herat laat een ander Afghanistan zien. De citadel, de Vrijdagsmoskee en het blauwe tegelwerk herinneren aan de Timoeridische tijd. Vanaf de twaalfde eeuw groeide de moskee uit tot een groot complex met binnenplaatsen en koepels. Aan het hof werkten dichters, miniatuurschilders en bouwmeesters. In werkplaatsen en dorpen knopen ambachtslieden nog steeds tapijten en weven zij stoffen met patronen die per streek verschillen.
Op tafel staan gerechten met dezelfde mengeling van landbouw en oude handelsroutes. Koks maken qabili palaw met rijst, wortel, rozijnen en vlees. Mantu zijn deegpakketjes met gekruid gehakt. Bolani is platbrood, vaak gevuld met aardappel of prei. Het Talibanbestuur beperkt onderwijs, werk en het openbare leven van vrouwen en meisjes sterk. Dat bepaalt het dagelijks leven in het land. Kijk daarom naar de moskeeën en bergdalen, maar ook naar de handen die tapijten knopen, brood bakken en oude gebruiken bewaren. Afghanistan laat zich niet in één beeld vangen; juist die verschillen maken het land de moeite waard om beter te leren kennen.
