Aan de noordkust liggen stranden en eilanden in de Caribische Zee. Honderden kilometers zuidelijker steken de platte toppen van de tepui’s boven het regenwoud uit. Vanaf Auyán-tepui stort Kerepakupai Merú, ook bekend als de Angelwaterval, bijna een kilometer langs de rotswand naar beneden. In de Gran Sabana lopen rivieren door grasland en langs donkere rotsen. In Pemón-dorpen staan lage huizen tussen de bomen. Dat beeld verschilt sterk van Caracas, de kuststeden en de raffinaderijen die veel mensen met Venezuela verbinden.
De Orinoco stroomt vanuit het binnenland naar een brede delta aan de Atlantische kust. Warao-gezinnen wonen daar in huizen op palen langs de waterlopen. Ten westen van de rivier liggen de Los Llanos. In deze vlakke graslanden leven capibara’s, kaaimannen en rode ibissen. In het regenseizoen staat een groot deel van de vlakte onder water.
Rond Mérida begint het Andeslandschap. De kabelbaan vanuit de stad gaat tot boven de boomgrens, langs kale hellingen en frailejones. In Caracas staan woontorens naast koloniale kerken. Op straathoeken en in kleine eethuisjes bakken koks arepa’s met kaas, kip of zwarte bonen. Pabellón criollo verschijnt vaak op de kaart, met rijst, zwarte bonen, rundvlees en gebakken bakbanaan. Wie de tijd neemt voor deze verschillende streken, ziet Venezuela terug in het eten, langs de rivieren en hoog in de bergen.
