Irak laat zich niet vangen in één beeld. Langs de Tigris en de Eufraat liggen de resten van Babylon en Ur, terwijl Bagdad verderop doorraast met boekhandels, moskeeën en brede verkeerswegen. In de hoofdstad staan Abbasidische gebouwen naast cafés en markten. In het zuiden glijden bewoners in smalle mashhuf-kano’s tussen hoge rietkragen door de Mesopotamische moerassen. Daar bepalen water, riet en visvangst nog steeds het dagelijks werk.
Aan de rivieren staat eten vaak op tafel als masgouf: karper die opengevouwen boven een houtvuur gaart. In Najaf en Karbala lopen pelgrims door markten naar de sjiitische heiligdommen. Gouden koepels steken boven binnenplaatsen uit, terwijl verkopers thee, dadels en gebedskralen aanbieden. De drukte rond deze plaatsen verschilt sterk van de stille bakstenen ruïnes van oude steden, maar op beide plekken komen mensen al eeuwen samen.
In het noorden beginnen de bergen voorbij de vlakten. Rond Erbil, Sulaymaniyah en Duhok liggen Koerdische steden tussen bergwegen, watervallen en dalen. De citadel van Erbil rijst boven moderne straten uit. In het centrum van Sulaymaniyah zitten boekwinkels, cafés en musea dicht bij elkaar. Dolma, platbrood, rijst en kebab verschijnen er vaak naast kleine glazen sterke thee. Wie verder kijkt dan de bekende ruïnes, ziet ook rietlanden, bergsteden en het gewone leven langs de rivieren. Dat maakt Irak een land om rustig en met open blik te leren kennen.
