De Witte Nijl loopt van de grens met Oeganda via Juba naar de Sudd, een uitgestrekt wetland in het hart van Zuid-Soedan. In het regenseizoen komt water over graslanden en papyrusvelden te staan. Smalle kanalen snijden door drijvende planten. Vissers varen er met kleine boten en kuddes runderen grazen langs de drogere randen. Zuidelijk van dit vlakke, natte gebied rijzen de rotsige heuvels en groene hellingen van het Imatonggebergte op. Het verschil tussen moeras, rivier en bergland bepaalt hier wat mensen verbouwen, eten en vervoeren.
Juba is de hoofdstad en het politieke en economische centrum. Zuid-Soedan werd in 2011 onafhankelijk van Soedan en behoort daarmee tot de jongste staten ter wereld. Op markten liggen sorghum, bonen, cassave, maïs en pinda’s. Aan eenvoudige eettafels verschijnen kisra, stoofgerechten en vis uit de Nijl. Engels is de officiële taal. In Juba hoor je ook vaak Juba-Arabisch, naast onder meer Dinka, Nuer, Bari en Zande.
Buiten Juba vullen runderen, water en landbouw veel dagen. Voor verschillende veehoudende gemeenschappen staan runderen voor bezit, familiebanden en aanzien. Langs de Sudd verdienen gezinnen geld met visvangst en vervoer over water. Boeren in het zuiden telen cassave, maïs en pinda’s op nattere en vruchtbare grond. Die gewoonten verschillen per streek en gemeenschap. Wie de tijd neemt voor een markt in Juba, een maaltijd met kisra of het water langs de Nijl, ziet meer dan alleen de recente geschiedenis van dit land.
