Wie naar Somalië kijkt, ziet een land dat al eeuwen naar zee is gericht. Langs de Golf van Aden en de Indische Oceaan varen dhows, vissersboten en vrachtschepen over routes die vroeger wierook, textiel en specerijen verbonden met Arabië, Perzië, India en de Swahilikust. Achter de kust liggen droge vlaktes en ruige bergketens. De zeehandel, het droge land en de veeteelt hebben hun sporen nagelaten in steden, keukens en verhalen.
In Mogadishu staan in Hamar Weyne en Shangani koraalstenen huizen, moskeeën en deuren met houtsnijwerk tussen nieuwere panden. De stad groeide als haven aan de handelsroutes over de Indische Oceaan. Verder naar het noorden liggen Zeila en Berbera, met oude moskeeën en pakhuizen die dezelfde geschiedenis laten zien. In het noordwesten bestuurt Somaliland het gebied dat het als onafhankelijke staat heeft uitgeroepen. Daar gelden in de praktijk andere bestuurs- en toegangsregels dan in federaal Somalië.
Bij Laas Geel staan rotsschilderingen van mensen, runderen en honden in oker en rood. Ze herinneren aan de lange rol van vee in het dagelijks leven. Somalische dichters dragen verzen voor over familie, politiek en gewone dagen; de mondelinge dichtkunst blijft een belangrijk deel van de cultuur. Op tafel verschijnen canjeero, gekruide rijst, geitenvlees en vis. Bij rijst of pasta ligt vaak ook een banaan. Kijk naar de deuren van Mogadishu, luister naar een voorgedragen gedicht en proef de keuken: daar komt Somalië dichtbij.
