Op de zwarte hellingen van Mount Cameroon staan bananenplanten tussen dicht bos. In Buea herinneren houten huizen en oude bestuursgebouwen aan de Duitse koloniale periode. De berg ligt vlak bij de Engelstalige zuidwestelijke regio, terwijl in Yaoundé en veel andere delen van het land Frans de voertaal is. Thuis, op straat en op de markt spreken veel inwoners daarnaast een lokale taal. Die talen hoor je terug in gesprekken, muziek en gerechten.
Bij Kribi valt de Lobé-waterval over rotsen vlak voor de Atlantische Oceaan. Vissers leggen hun boten op het strand, en in kleine eethuizen staat gegrilde vis met peper en bakbanaan op tafel. In Yaoundé vullen markten, universiteiten en ministeries de heuvels van de hoofdstad. Daar vind je ook ndolé: bittere bladeren, gestoofd met pinda's en vaak geserveerd met vlees of vis.
In Foumban werken bronsgieters, houtsnijders en makers van kralenwerk in de traditie van het Bamoun-koninkrijk. Het paleis van de sultan staat in het centrum van de stad. Verder noordwaarts worden de akkers droger. Bij Rhumsiki steken smalle rotspunten boven het land uit, en rond Maroua begint de savanne die doorloopt richting het Tsjaadmeer. Tussen de kust, de vulkaanhellingen en het noorden liggen grote afstanden, maar op markten en in steden komen goederen en mensen uit die streken samen. Wie Kameroen bezoekt, kan hier steeds een andere kant van het land tegenkomen.
