Conakry zet meteen de toon: markten, woonwijken en de haven liggen dicht op elkaar op een smal schiereiland. Verder landinwaarts krijgt Guinee een heel ander gezicht. In Fouta Djallon lopen rivieren door graslanden en diepe dalen. De Niger, Senegal en Gambia hebben hier hun bronnen. Bij Kambadaga en Ditinn storten brede watermassa’s in trappen over donkere rotsen. Dit bergland verschilt sterk van de vlakke, vochtige kust rond Conakry.
Langs de Atlantische kust staan mangroven bij riviermondingen en rijstvelden. Voor Conakry liggen de Îles de Los, met zandstranden, palmen en vissersdorpen. In de hoofdstad staan brede boulevards en overheidsgebouwen uit de jaren na 1958, toen Guinee als eerste Franse kolonie ten zuiden van de Sahara voor directe onafhankelijkheid koos. Staatsorkesten als Bembeya Jazz National brachten elektrische gitaar, blazers en Mandingo-muziek samen.
In het zuidoosten liggen de dichte bossen rond Bossou en het Nimbagebergte tegen ijzerrijke hellingen. Op de markten liggen rijst, cassave, bakbananen, pinda’s en fonio. Koks verwerken die producten in sauzen en eenpansgerechten. Frans voert de boventoon in bestuur en onderwijs, maar op straat klinken ook Pular, Maninka en Susu. Wie tijd maakt voor Conakry, de hooglanden en de kust, ziet hoe verschillend Guinee van streek tot streek is. Ga kijken, proef mee en blijf vooral ook even hangen.
