Gambia is smal, maar de Gambia-rivier geeft het land diepte. Bij de monding varen houten boten langs zandbanken en mangroven. Aan de kust liggen hotels bij Kololi, terwijl vissers in Tanji hun pirogues op het strand trekken. Verder landinwaarts maken palmen en rijstvelden plaats voor drogere oevers en dorpen waar mensen dicht bij het water wonen. Senegal omsluit Gambia bijna helemaal, maar op de rivier zie je vooral het eigen tempo van het land: veerboten, vissersboten en lange houten kano’s.
Banjul ligt op een eiland bij de riviermonding. Op de markten liggen stapels mango’s, pepers en gedroogde vis. In Tanji roken handelaren vis boven houten ovens, vlak naast het strand waar de boten binnenkomen. Aan tafel staat vaak benachin op het menu: rijst met groente, vis of vlees uit één pan. Domoda, een pindastoofpot, is een ander vast gerecht.
Langs de rivier liggen ook plekken met een zwaar verleden. Op Kunta Kinteh Island staan de resten van een fort waar Europese handelaren gevangengenomen Afrikanen vasthielden voordat zij de oceaan over werden gebracht. Het museum in Albreda vertelt over de handelsposten langs de rivier. Bij Wassu staan steencirkels rond oude grafheuvels, veel ouder dan de koloniale tijd.
Tussen die geschiedenis liggen mangrovebossen met reigers, ijsvogels en pelikanen. Neem plaats op een rivierboot, eet een bord rijst met de hand en blijf ook een paar dagen buiten de kust. Dan zie je Gambia op zijn best.
