Equatoriaal-Guinea laat twee heel verschillende gezichten zien. Op het eiland Bioko steekt Pico Basilé boven het regenwoud uit. Malabo ligt aan de voet van die vulkaan, met koloniale gebouwen, brede lanen en de kathedraal als zichtbare resten van de Spaanse tijd. Op het vasteland stromen rivieren door de bossen van Río Muni. Bata vormt daar het grootste stedelijke centrum.
Wie Malabo verlaat, rijdt langs voormalige cacaoplantages en Bubi-dorpen de groene hellingen op. In het zuiden van Bioko vallen beken door het bos naar de kust bij Ureka. In sommige maanden leggen zeeschildpadden daar eieren op het strand.
Río Muni heeft een ander decor. In Nationaal Park Monte Alén staan hoge bomen tussen lianen en dicht ondergroei. In dit bos leven onder meer gorilla’s, chimpansees en bosolifanten. De Fang vormen op het vasteland een belangrijke bevolkingsgroep, terwijl Spaans klinkt in kantoren, scholen en media. Aan tafel komen die lijnen ook samen: vis, bakbanaan, cassave en pindasaus staan naast brood en gerechten met Spaanse invloeden. Bioko en Río Muni verschillen sterk in landschap, taal en dagelijks leven. Juist dat maakt het de moeite waard om verder te kijken dan Malabo of Bata alleen.
