Wie de Democratische Republiek Congo bekijkt, ziet eerst de Congorivier. De brede stroom loopt langs zandbanken en dicht regenwoud. Houten boten varen met passagiers, zakken goederen en soms dieren naar plaatsen die over land moeilijk bereikbaar zijn. In Kinshasa klinkt Lingala op straat, uit bars en huiskamers komt rumba, en jonge inwoners bepalen met kleding en muziek het stadsbeeld. Vanaf de oever kijk je uit op Brazzaville, aan de andere kant van de rivier.
In het oosten krijgen de heuvels en vulkanen rond Goma de overhand. Nyiragongo en Nyamuragira staan boven het Kivumeer. Verder noordelijk groeit het Ituriwoud, waar de okapi in het wild leeft. In het zuidoosten liggen Lubumbashi en Kolwezi tussen savanne, spoorlijnen en mijngebieden. Oude gebouwen en spoorinfrastructuur herinneren aan de lange geschiedenis van koper- en kobaltwinning.
Op tafel staan vaak cassave, bakbanaan, fufu en bonen. Langs de rivier eten gezinnen veel vis. Pondu, gestampte cassavebladeren, hoort in veel keukens bij de dagelijkse maaltijd. In Kinshasa bouwden muzikanten de Congolese rumba op met Afrikaanse ritmes, Cubaanse platen en elektrische gitaren. Die muziek klonk later ver buiten het land. Kijk verder dan de afstanden op de kaart: bij de rivier, in Kinshasa en rond de oostelijke vulkanen laat Congo veel verschillende gezichten zien.
