Wie Centraal-Afrika vooral met savanne associeert, ziet in het zuidwesten een ander land. Dicht regenwoud hangt boven de Sangha en opent zich bij Dzanga Bai ineens tot een kale, modderige plek. Bosolifanten komen hier mineraalrijk water uit de grond halen. Laaglandgorilla’s, bongo’s en honderden vogelsoorten leven tussen de hoge bomen. Dat stille woud ligt ver van Bangui, waar de brede Oubangui langs de stad stroomt. Kano’s en vrachtboten varen over de rivier; aan de overkant begint de Democratische Republiek Congo.
Bangui laat een ander dagelijks beeld zien. Lage overheidsgebouwen, kerken en woonwijken staan langs brede lanen met rode aarde. Op markten liggen cassave, bakbananen, pinda’s en vis uit de rivier op houten kramen. Koks maken van cassavemeel gozo, een stevige deegbal bij saus of gestoofd vlees. Frans klinkt in kantoren en scholen. Op straat en op de markt spreken veel mensen Sango.
Buiten de hoofdstad volgen wegen vaak de rivieren en verdwijnen ze geregeld in onverhard stof of modder. Bij Bouar staan groepen granieten megalieten op plekken waar vroeger mensen werden begraven. In de groene Lobaye verbouwen boeren koffie, cassave en bananen. Verder zuidwestelijk liggen in Dzanga-Sangha tropisch bos, open zoutplekken en de Sangha dicht bij elkaar. In het noorden staan hoge grassen en losse bomen op de savanne. De Oubangui, de markten van Bangui en het bos bij Dzanga laten elk een andere kant van het land zien. Wie hier komt, kan rustig blijven kijken naar de mensen langs de rivier, de maaltijd op het bord en de dieren in het woud.
