Aan de westkant van Bujumbura ligt het Tanganyikameer breed en blauw onder de heuvels. Vissers trekken hun boten op het zand en in keukens langs de oever gaat mukeke, de vis uit het meer, in de pan. Buiten de stad stijgt de weg snel. De warmte van de laagvlakte maakt plaats voor koele hellingen met theestruiken, bananenplanten en stukken bos.
Bujumbura is de grootste stad van het land. Op de markten liggen cassave, bonen en fruit naast stapels tweedehandskleding. In woonwijken en cafés speelt het dagelijkse leven zich op straat af. Ten noorden van de stad lopen de waterwegen van Rusizi Nationaal Park door papyrus en moeras. Daar leven nijlpaarden, krokodillen en watervogels in het ondiepe water.
Rond Teza staan theestruiken in lange rijen op de groene hellingen. Arbeiders plukken de jonge blaadjes met de hand. Niet ver daarvandaan ligt Kibira Nationaal Park, met bergbos op de waterscheiding van de Congo en de Nijl. Verder naar het oosten ligt Gitega, de hoofdstad. Bij het heiligdom van Gishora slaan drummers op grote trommels, soms terwijl zij de instrumenten op hun hoofd dragen. Die optredens komen voort uit de hofcultuur van het vroegere koninkrijk Burundi.
Burundi vraagt geen strak programma. Blijf aan het meer hangen, kijk hoe thee op de hellingen groeit en luister in Gitega naar de trommels. Dan krijg je het land het best mee.
