Luanda vormt een scherp beginpunt voor Angola. Glazen kantoortorens staan er naast Portugese gevels, brede wegen en dichtbebouwde wijken. Aan de kust ligt de Ilha de Luanda, waar op tafels gegrilde vis verschijnt. Landinwaarts stort de Lucala bij Kalandula over een brede, halfronde rotswand. Verder naar het zuiden maken groene hoogvlakten plaats voor de droge vlaktes van Namibe, waar duinen dicht bij de Atlantische Oceaan liggen.
In Luanda staan het fort São Miguel en de koloniale gebouwen van de benedenstad als zichtbare resten van de Portugese overheersing. In keukens en restaurants komen funge, calulu en moamba de galinha op tafel. Op feesten klinkt semba, de muziekstijl die later de kizomba beïnvloedde.
Het binnenland heeft een ander decor. Zwarte rotsblokken steken bij Pungo Andongo boven de savanne uit. Rond Huambo liggen akkers op het koelere plateau. Bij Lubango valt de rand van het hoogland steil weg in de Tundavala-kloof. In Namibe groeit de welwitschia tussen stenen en droog zand. De burgeroorlog eindigde in 2002, maar sporen ervan staan nog naast nieuwe wegen en gebouwen. Wie verder kijkt dan Luanda, ziet een land van grote afstanden, volle markten, muziek en landschappen die telkens van vorm veranderen. Angola wacht op reizigers die daar rustig de tijd voor nemen.
